huberthedebouw_nederlands

lundi 2 octobre 2017

Een microgeschiedenis van een grootvader Jean-Baptist Heinig “met een beetje Duitse naam”.



Jan is de hoeder van de familiegeschiedenis Hertogen. Zo probeerde hij uit te spitten waarom zijn moeder en tante zo vaag bleven over hun vader Jean-Baptist Heinig “met een beetje Duitse naam”. 
Dit was voor mij de aanleiding om een stukje microgeschiedenis te schrijven. Achter die vaagheid zit de vervolging van mensen van Duitse afkomst tijdens en na de eerste wereldoorlog. En de achterdocht tegenover de soldaten van de vesting Antwerpen die geïnterneerd werden in Nederland…
Ik heb de blogs van Jan letterlijk geplunderd, zonder verdere bronvermelding. Mijn eigen inbreng beperkt zich tot die vervolging en het uitzoeken hoe Jean-Baptist in een interneringskamp in Nederland terecht is gekomen terwijl zijn eerste divisie aan de Ijzer terechtkwam.

Godefroid Guillaume Heinig of Gottfried Wilhem Heinig

De overgrootvader van mijn Paulatje en grootvader van mijn schoonmoeder Hortense Heinig was Godefroid Guillaume Heinig, geboren op 5-3-1851 in Kothen, Anhalt-Saksen; een duitse horlogemaker die in 1879 naar Brussel is verhuisd. Jan liet zich fotograferen  in Lachsfang 2, Köthen, 3de huisje links.
In juli 1879 trouwt Gottfried Wilhelm met Aerts Antoine-Joséphine. Door haar huwelijk met een Duitser werd ook Antoinette Aerts van Duitse nationaliteit, evenals de vier kinderen.  Jean-Baptist, grootvader van Paula, is hun vierde kind. Elf maanden na zijn geboorte is zijn moeder overleden. Zij was pas 32 jaar.
Godefroid  Guillaume hertrouwt. Hij heeft weinig of geen contacten met de vier kinderen van zijn eerste huwelijk; twee van zijn kinderen uit zijn eerste huwelijk verscheepte hij zelfs naar Amerika.
Hij  is tot z’n dood in 1918 opgevolgd door de staatsveiligheid. Jan is op het Rijksarchief zijn dossier gaan inkijken en fotoscannen.  Op een proces verbaal van 28/12/1889  wordt als beroep van onze ‘étranger poursuivi’ opgegeven: Horlogier – Cabaretier. Het betreft een “poursuite” van een maand omwille van “complicité d’adultère”, “medeplichtigheid aan overspel”.
En wij vinden op 12/04/1914 op zijn bewijs van voorlopig verblijf van vreemdeling zijn zoon van +16 jaar Jean-Baptist Heinig en z’n echtgenote Caroline Steens terug, die twee kinderen hebben geboren in 1912 en 1914. Vermeld wordt dat Jean Baptist ‘sous les drapeaux’ is.
Een Bulletin de poursuites van 04/04/1916 vermeldt “Menaces par gestes et injurés à Laken le 20/03/1916 ». Maar “il n’est pas mis en prévention”.
Godefroid-Guillaume Heinig overlijdt op 08/02/1918 in Laken, alleen. Het overlijden wordt aangegeven door Albert Beerden, mecanicien en  Gaston Van Nieuwenhuyse, slotenmaker.
Van hem slechts een foto. Op zichzelf wil dat natuurlijk niets zeggen. Ik ken van mijn grootvader Sjaantje ook maar één foto, met onderaan het biljetje van de loting waardoor hij niet naar het leger moest. En van mijn grootvader een vaders kant heb ik helemaal niets. Maar ik hoorde wel een en ander vertellen. Over Gottfried Wilhelm daarentegen is er helemaal niets: een echte blinde vlek in de familiegeschiedenis. Een blinde vlek die tegelijk een micro-geschiedenis is die tekenend is voor heel de periode van de eerste wereldoorlog. Met onder andere een haat tegen ‘den Duits’ die wij ons moeilijk kunnen voorstellen. Of toch? Tegen andere nationaliteiten of geloofsovertuigingen?

De vervolging van mensen met Duitse afkomst

Het toeval wilde dat Paula en ik Monika Triest hebben ontmoet, die een paar boeken heeft gepubliceerd over de vervolging van mensen van Duitse afkomst, bij hetuitbreken van en na de eerste wereldoorlog, waarbij zelfs systematisch de Belgische nationaliteit werd afgenomen van mensen met een dubbele nationaliteit, en zelfs van die mensen van het Gotha zoals de Arenbergs die vonden dat zij boven die nationaliteiten stonden. Ook Frank Caestecker van de UGent deed pionierswerk met zijn studie “ Wie was nu de vijand ? De constructie van de "Duitser" bij het aflijnen van ongewenste vreemdelingen”. Het heeft bijna 100 jaar geduurd voordat een eerste historische studie verscheen over dit weinig fraai hoofdstuk in onze geschiedenis. En in de eindeloze herdenkingen van de W.O. I kwam dit thema nog geen enkele keer aan bod.
De twee auteurs baseren hun studie op archieven die tot voor kort ontoegankelijk waren.
In dat kader wordt in april 1914 Gottfried Wilhem Heinig opgeroepen door de gemeente Laken om hem een voorlopige verblijfsvergunning te geven, samen met z’n zoon Jean Baptist en z’n kinderen, geboren in 1912 en 1914 (zo staat het er, ook al was Hortense toen nog niet geboren). Uit het onderzoek van Caesstecker blijkt dat begin augustus ook de kinderen van de Duitse staatsburgers, ook al waren ze Belg geworden, naar Nederland werden gevoerd en geïnterneerd, maar dat is met Gottfried- Guillaume blijkbaar niet het geval geweest. En zijn zoon was onder de wapens, Belgische wapens!
“In december 1917 decreteerde de gouverneur-generaal in België dat iedereen van Duitse afkomst zich moesten melden bij het Pasbureau in hun gemeente in de vier weken na 13 januari 1918. Al deze mensen van Duitse oorsprong moesten hun verplaatsingen melden bij de Duitse overheid.” (Bekantmachung Generalgouverneur in Belgien, 13 december 1917, Gezests-und Verordnungsblatt für Flandern, nr. 2, 5 january 1918, in Frank Caestecker en Antoon Vrints, The National Mobolization of German Immigrants and their Descendants in Belgium, 1870-1920, Chapter 6, blz 138).
Guillaume Heinig overleed op 8 februari 1918. Daardoor ontsnapte hij dus aan dat decreet, waarvan ik trouwens de bedoeling niet ken.
Zijn overlijdensakte werd niet ondertekend door zijn dochter Marguerite of door zijn schoondochter Caroline Steens, de vrouw van  Jean Baptist, die een paar straten verder woonde. Is dat om te voorkomen dat Jean-Baptist, Caroline en hun kinderen naar Duitsland zouden worden uitgewezen, of voorwerp zouden worden van de manifeste anti-Duitse gevoelens die zich ook richtten naar wie loyaal als Belg al decennia in België woonde? Maar waarom moest dit stilzwijgen generatielang bewaard blijven? Was zijn dochter Marguerite aanwezig bij z’n overlijden, was er wel iemand op zijn begrafenis, hebben Bonneke en Tante Paula dit overlijden op een of andere manier geweten, het was ten slotte hun grootvader. Of is Guillaume Heinig ‘stilletjes’ verdwenen op zijn 67 jaar, ook om z’n kinderen en kleinkinderen niet te compromitteren en ze op die manier te beschermen, door zichzelf uit wissen. Heeft hij zijn kleinkinderen nog gezien na 4 augustus 1914, de inval van de Duitsers, en daarvoor? En dat terwijl zijn zoon Jean-Baptist al 4 jaar krijgsgevangen was in Alten Grabow, op 70 km van z’n geboorteplaats Köthen. Wanneer is het teveel voor iemand? Mag hem geen eer bewezen, misschien op 8 februari 2018, in Café Maes, tien meter om de hoek waar hij 100 jaar geleden overleden is, met een sobere koffietafel, 100 jaar na datum?

Antwerpen en de maatregelen tegen de ‘Duitse’ inwoners van België en hun nageslacht

In 1918 woonden in Antwerpen vele Duitse families. Ze waren met ongeveer 20.000 op 300.000 inwoners in 1910. Ze waren bijzonder goed geïntegreerd en bekend om hun gul mecenaat. Maar toen op 4 augustus 1914 oorlog uitbrak kwam er twee dagen later een dwangbevel van de provinciale krijgsgouverneur Dufour en van de Antwerpse burgemeester Jan De Vos : “Alle Duitsers en Oostenrijkers moeten vandaag voor 24 u de stad verlaten hebben”(p.14). Op 9 augustus werd ermee gedreigd dat ze als spionnen gedood zouden worden. De meesten namen de vlucht en lieten alles achter: woning, bedrijf, bank, kapitaal, buitenverblijf, …
Na het einde van de oorlog werden de maatregelen tegen de ‘Duitse’ inwoners van België en hun nageslacht nog strenger. Het ging dan in feite om een ‘etnische zuivering’ van ‘inferior Belgians’. Zoals na WO2 massaal gebeurde met 12 miljoen Duitsers in andere landen, ook wie er al eeuwen woonde, werden Duitsers en hun nakomelingen ook in België verzameld (Adinkerke) en eerst naar Nederland gedeporteerd in treinen vooraleer naar Duitsland teruggevoerd te worden. Ook Belg geworden Duitsers, en zelfs Duitse nakomelingen die Belgische legerdienst gedaan hadden, kwamen voor deportatie en ontheming in aanmerking. De meesten werden vanaf 1921 onteigend. Dit werd goedgekeurd in het Belgisch parlement, met ruime meerderheid. En tegen het principe “Nulla poena sine lege”, want er was geen enkele wet die zei dat bezittingen aangeslagen mochten worden, enkel omdat de eigenaars van Duitse afkomst waren. De Zuidpoolexpeditie van Adrien de Gerlache was gesponsord geweest door de familie Osterrieth; verder de dierentuin, het Nottebohmziekenhuis en de prachtige Nottebohmzaal in de Erfgoedbibliotheek Hendrik Conscience. Dezelfde familie had ook de Brabofontein op de Grote Markt betaald. Léonie Osterrieth had de bijnaam “Koningin van de liefdadigheid”. De Duitse families richtten ook allerlei clubs en verenigingen op zoals Beerschot (voetbal), zeescouts, de Antwerp Golf club. Ze organiseerden in 1913 de wereldtentoonstelling en de Olympische Spelen, die pas in 1920 plaats vonden. De directeurs van de Red Star Line waren Duitsers.

Jean-Baptist Heinig en de Groote Oorlog

Jean-Baptist Heinig werd zoals vermeld als Duitse staatsburger geboren in 1884  in de Antwerpse Steenweg 208 in Laken. In 1903 veranderde de wet op de nationaliteitsverwerving en de oudste zoon kon bij eenvoudige verklaring Belg worden (zoiets als de ‘snel-belg’ wet in 2000). Zo verwierf Jean-Baptist in dat jaar de Belgische nationaliteit.
Jean Baptist Heinig en Caroline Steens trouwen in 1911. In 1912 werd tante Paula geboren en in 1914 Hortense.
Op 1 augustus 1914 wordt Jean-Baptist opgeroepen voor het linieleger. We weten alleen dat hij deel uitmaakt van de eerste divisie: het is moeilijk uit te maken, op basis van dit magere gegeven, in welke gevechten hij is betrokken geweest. Ik probeer toch het lot van de eerste divisie te volgen tussen augustus en september.
Die eerste divisie trekt zoals het hele linieleger terug op de vesting ‘Antwerpen’. Na de slag bij de Marne dreigt het Belgische Leger in Antwerpen geïsoleerd achter te blijven. Koning Albert I trekt met het veldleger langs de kust naar de Ijzer, gedekt door de vestingtroepen die na de capitulatie met 32.000 de grens oversteken naar Nederland waar ze als vluchtelingen geïnterneerd worden. Jean-Baptist zat in de linietroepen en had dus mee moeten trekken naar de Ijzer. Hoe kwam hij dan in Nederland terecht met de vestingtroepen die na de oorlog als halve deserteurs worden beschouwd? Dit is geen verwijt: Wanneer de rijken oorlog voeren, sneuvelen de armen, en als je daaruit weg kunt geraken, doe het dan. Uiteindelijk heeft hij daar een geluk bij een ongeluk gehad. Hij is niet aan de Ijzer terechtgekomen, is in Nederland geïnterneerd met de vestingstroepen. Hij is daar uit dat interneringskamp kunnen ontsnappen. Dat liedje heeft wel niet lang geduurd: hij is na drie maand opgepakt en in Duitsland krijgsgevangen gezet. Maar daardoor heeft hij geen problemen gehad om zijn oorlogsjaren te laten erkennen. Een magere troost?

Jean-Baptist Heinig en de Getelinie

Jean-Baptist Heinig kwam zoals gezegd in de 1ste Divisie terecht die de Getelinie moest verdedigen.
Bij gebrek aan details over de veldtocht van Jean-Baptist kunnen wij zijn divisie volgen op haar tocht naar de Schelde. Het laatste Luikse fort valt op 16 augustus. Von Kluck begint aan zijn grote zwaai dwars door Midden-België. Het von Schlieffenplan had geen aanval voorzien op de vesting Antwerpen. En Albert was ook niet happig op een veldslag. Hij had op 14 augustus aan zijn vertrouweling Emile Galet gevraagd een nota te maken voor de regering: «We beschikken in het totaal over 90.000 militairen die in staat zijn om te vechten of beter om zich te verdedigen. De troepen zijn niet bekwaam om te marcheren. Na tien kilometer kunnen de soldaten niet meer. Alle oudere leeftijdsklassen die terug opgeroepen zijn, klagen over pijn aan de voeten. Besluit  : het is onmogelijk om offensieve marsen te ondernemen en dus ook om aan te vallen.  Een mobilisatie van vijftien militieklassen had moeten voorbereid zijn door vijftien jaar van onafgebroken inspanningen. Maar gedurende veertien jaar is de inspanning zero geweest. Overigens, zelfs al hadden we troepen van de kwaliteit van de Fransen of de Duitsers, dan nog zouden we niet tot het offensief kunnen overgaan zonder een onvermijdelijke nederlaag op te lopen. De strijdkrachten waar wij tegenover staan, zijn ongelofelijk superieur aan de onze. Wij staan er alleen voor  : niet alleen zijn de Fransen en de Engelsen hier nog niet verschenen, maar ze zijn zelfs nog niet in Luxemburg of in de provincie Namen. Onze grote bekommernis moet zijn ons nooit te laten afsnijden van Antwerpen, waar zich de levensmiddelen en de munitievoorraad van het leger bevinden. Anderzijds vereist de eventuele verdediging van Antwerpen de aanwezigheid van vijf divisies van het veldleger  ; als die vernietigd worden, zal Antwerpen een hevige aanval niet kunnen weerstaan.  Onze grote overwinning tot nu toe bestaat er in tijd gewonnen te hebben.  » (Marie-Rose Thielemans en Emile Vandewoude, Le Roi Albert au travers ses lettres inédites, 1882-1916, Brussel, 1982, pp. 515-517).
De Getelinie lag te dicht bij de noordflank van de Duitse opmars. In Tienen ligt de eerste legerdivisie van generaal Baix (ca. 15.600 manschappen, waaronder dus Jean-Baptist Heinig, waarschijnlijk ook met pijn aan zijn voeten). De kleine stellingen van de Belgen in de Getevallei tussen Tienen en Diest waren totaal niet opgewassen tegen de overweldigende Duitse troepenmacht. De troepen die de terugtocht moesten afdekken (3de en 22ste Linie) leden bij Grimde en Sint-Margriet-Houtem zware verliezen. De namenlijst van het In Flanders Fields Museum vermeldt voor het ganse Belgische leger die dag 556 doden. In Aarschot moest de burgerbevolking het zwaar bekopen.

De slag om Antwerpen

De 1ste Legerdivisie en de overige 90.000 man van het veldleger komen aan in Antwerpen waar 60.000 man vestingtroepen klaar staan om de vesting Antwerpen te verdedigen. Op 24 augustus hebben wij de Slag aan de Grenzen (Mons en de Samber). Het Belgische leger doet een eerste uitval
om de Duitse slagkracht rond Charleroi en Bergen te verminderen. In de nacht van 25 op 26 augustus 1914 brandt Leuven.
Op 5 september begint de cruciale slag aan de Marne. Koning Albert beveelt een tweede ‘sortie’ uit Antwerpen (9-13 september). De verliezen bedroegen dit keer 8.000 man, het dubbele van de eerste uitval. Na de Duitse nederlaag bij de Marne begint de "Koers naar de zee". Het Belgische Leger dreigt in Antwerpen geïsoleerd achter te blijven. Koning Albert I beslist Antwerpen te verlaten en met het veldleger langs de kust naar het Zuiden te trekken.
Op 27 september startte het Duitse offensief tegen de Antwerpse vesting. Op 30 september wordt het fort van Sint-Katelijne-Waver en Walem opgegeven. Op 1 oktober moet de eerste en tweede Divisie tegenaanvallen uitvoeren. S’avonds besluit Albert I de weerstand achter de Nete te organiseren. De 1e divisie verdedigt de lijn van Rumst tot aan de spoorwegbrug van Duffel.
Op 3 oktober komt Winston Churchill, de Britse minister van de Marine, met 9.000 mariniers om de Belgen bij te staan. Maar desondanks besliste het Belgische opperbevel op 6 oktober het uitgeputte Belgische leger naar de Linkeroever over te brengen. Op 6 oktober houden de 1e en 3e divisies nog de forten tussen de Nete en de Schelde, maar worden op hun linkerflank bedreigd. Op 7 oktober is het linieleger op de linkeroever, behalve de Tweede divisie en de Britten. Die dag dreigt generaal von Beseler met beschieting van de stad. Op 8 op 9 oktober steken ook de Britten en de Tweede Legerdivisie de Schelde over. De vlotbruggen van het Steen en Burcht worden vernietigd. Het stadsbestuur stelt de capitulatie van de vesting voor. De burgemeester van Antwerpen, Jan De Vos, sluit een overeenkomst met de Duitsers. Een eigenaardige procedure voor de nationale vesting Antwerpen… De Vos bleef aan als burgemeester en werd na de oorlog niet aangeklaagd voor collaboratie. Hij bleef burgemeester tot 1921. De laatste twintig nog intacte forten gaven zich over. Het ‘oninneembare’ bolwerk was na twee weken beleg gevallen.
Volgens het zakboekje is Jean-Baptist van 01/08/1914 tot 15/10/1914 aan het front actief geweest, dus tot vijf dagen na de officiële overgave op 10 oktober. Zijn jongste dochter (Hortense) was toen 3 maanden oud, Tante Paula nog geen 2 jaar.

Geïnterneerd in Nederland

Daarna is hij met 32.000 andere soldaten naar Nederland gegaan waar de Belgische militairen geïnterneerd werden. Volgens de Vredesconferentie van Den Haag van 1907 moest Nederland als neutraal land alle militairen die naar het land vluchtten ontwapenen en interneren.
Op de betalingsfiche van het leger staat vermeldt dat Jean-Baptist geïnterneerd werd in Nederland van september 1914 tot mei 1915. Een kleine tegenspraak met zijn militair zakboekje dat zegt dat hij tot 15 oktober aan het front actief is geweest. In mei 1915 ontvlucht Jean-Baptist het interneringskamp. Misschien moest hij door de Dodendraad https://nl.wikipedia.org/wiki/De_Draad de 332 kilometer lange Grenzhochspannungshindernis langs de grens tussen het bezette België en het neutrale Nederland aangelegd tussen april en augustus 1915. Hij kan drie maanden bij zijn gezin zijn,
tot hij in september 1915 wordt  opgepakt op de tram en door de Duitse bezetter naar Alten Grabow gevoerd waar hij tot november 1918 krijgsgevangene is. Alten Grabow is een oud legerkamp dat in 1914 werd omgevormd tot een krijgsgevangenkamp.
In mei 1915 is Jean-Baptist Heinig dus ontvlucht (évadée et rentrée en Belgique zo staat in z'n officieel dossier). Die periode in Brussel is later door de militaire overheden als 'congé' beschouwd maar Jean-Baptist heeft daar ‘dus’ geen soldij voor ontvangen. In zijn aanvraagdossier heeft Jean-Baptist niet over z'n verblijf in Brussel gesproken, enkel dat hij op 10 oktober 1914 krijgsgevangen genomen is en naar Alten Grabow gevoerd. Dat heeft dus niet 'gepakt' maar zijn tussenstop in Brussel is hem evenwel na de oorlog niet kwalijk genomen.
De oorlog eindigt op 11/11/1918. Hij kan echter pas op 19/02/1919 naar Brussel terugkeren. Hortense is dan 4 jaar en 10 maanden, tante Paula 6 jaar en 2 maanden. De repatriëring van de krijgsgevangenen van Altengrabow, Giessen, Münster, Sennelager, Soltau, Hamelen, Friedrichsfeld en Göttingen begint in januari 1919. Pas de bol voor J-B: de repatriëring is per anciënniteit: wie het langst in het kamp verbleef, kan eerst naar huis. Aangezien hij pas in 1915 werd opgepakt, is hij bij de laatste. Spoormannen krijgen voorrang maar hij zal pas na de oorlog bij de ijzerenweg beginnen.
Jean-Baptist komt in Brussel met ondermeer 2 poppen met de naam 'Germaine', voor z'n dochters. Tante Paula fier haar pop tonen, Germaine was haar naam, want ze kon toen al lezen, toen was het voor Tante Paula nog niet duidelijk dat het in feite Germany was dat er in genaaid was Zijn tweede dochter Hortense zei: ‘Gij zijt mijn poepa niet, die zit in Duitsland’.
Jean Baptist is teruggekomen als  een heel gesloten man, vol goedwil, die in gezelschap altijd als een sfinks in volle beslotenheid aanwezig was.  Is toen, vooruitziend op de uitwijzing van Duitsers en Duitse nakomelingen, door de familie Heinig/Steens beslist om de Duitse afstamming te verzwijgen? Is dat de eerste boodschap die Jean Baptist ontvangen heeft bij zijn terugkeer uit Duitsland na 5 jaar gevangenschap. Is dat zijn groot verdriet geweest?

Het Belgenkamp in Harderwijk en een Belgisch Ereveld

Ik wil nog even terugkomen op het Belgenkamp in Harderwijk met zijn 15.000 geïnterneerde militairen (ongeveer de helft van de geïnterneerden). Wij waren in de zomer 2017 een weekend in Putten, op een boogscheut daarvan. Geen bedevaart, maar het toeval van een Groupon-bon. Ik maakte ook in 2014 een blog nav de vluchtelingencrisis in 1914: “Les 32.000 militaires belges internés des troupes des forteresses.
Harderwijk hield in 2009 een tentoonstelling over het Belgenkamp onder de titel "Achter den Pinnekesdraat". Op de Gemeentelijke Begraafplaats ligt een Belgisch Ereveld, dat op 28 september 1963 officieel werd geopend door de Belgische ambassadeur. Hier liggen 349 Belgische soldaten begraven. Ze zijn niet allemaal in Harderwijk gestorven. Aan het einde van de oorlog lagen er slechts 36 Belgische militairen, die tijdens hun internering waren overleden en niet gerepatrieerd waren. Het merendeel is overleden ten gevolge van de Spaanse griepepidemie van 1918. Daar liggen ook de dodelijke slachtoffers van de opstand in het Kamp van Zeist op 3 december 1914. Ze kwamen in opstand tegen de slechte leefomstandigheden in dat kamp en de buitensporige prijzen van tabak en alcohol. De opstand werd met geweld door de Nederlanders neergeslagen. Daarbij werden acht Belgen gedood en 18 zwaargewond.
Hier ligt tevens het zesjarige Nederlands meisje Woutje van de Velde in een bijzonder graf gemaakt van een afgezaagde boomstam. Zij was het slachtoffer van een door een Belgische korporaal op 13 januari 1917 gepleegd zedenmisdrijf. Voor de moord werd deze man eerst veroordeeld tot 15 jaar tuchthuis, maar in hoger beroep ontoerekeningsvatbaar verklaard en vrijgesproken.
Wel werd hij op last van de krijgsraad in een krankzinnigengesticht geplaatst.
Als geïnterneerden beloofden niet te ontsnappen, mochten ze tegen betaling gaan werken. 46,2% vonden zo werk  Daar heeft  Jean-Baptist misschien van geprofiteerd. Let wel: hij had zich ook anders kunnen organiseren en zijn vrouw en kinderen laten overkomen. oor de families van de gevangenen werden drie «kolonies” gebouwd, Albertsdorp, Elisabethdorp et Nieuwdorp.
Om werk te verschaffen stelde het 'Centraal Beheer der Werkscholen voor Belgische geïnterneerde Soldaten' eind 1916 aan het gemeentebestuur van Amersfoort voor een gedenkteken op te richten. Het ontwerp was van de Belgische architect Huib Hoste uit Brugge die tijdens de oorlog in Nederland
verbleef. In het voorjaar van 1917 werd met de bouw begonnen en ten tijde van de wapenstilstand op 11 november 1918 was het vrijwel klaar. In 1922 was een plechtige ceremonie van overgave voorzien nav de transfert van de eigendom van het monument naar de gemeente Amersfoort.  Die werd geannuleerd omdat België weigerde de 53 miljoen gulden te betalen als vergoeding voor het vier jarig onderhoud van de Belgische militaire geïnterneerden. Van zijn kant vond België in 1918 dat het ter compensatie van de geleden oorlogsschade recht had op Zeeuws-Vlaanderen en Zuid-Limburg. Deze Belgische eisen werden in Versailles in 1919 afgewezen.
Een officiële inhuldiging ging pas op 22 november 1938 door in aanwezigheid van koningin Wilhelmina en de Belgische koning Leopold III.
Ter gelegenheid 100 jaar Belgenmonument hield mijn vriend Jacques Pauwels er in 2014 een lezing over zijn boek De Groote Klassenoorlog. De volgende dag was hij in La Braise in Luik over hetzelfde onderwerp. Hij woont in Canada. De Hollanders hebben niet alleen het belgenmonument betaald, maar ook de reiskosten van Jacques…

Geen frontstrepen voor de geïnterneerden

Het leger weigerde aan de geïnterneerden de toekenning van frontstrepen die de pensioenrechten bepalen. Jean-Baptist heeft dus ergens wel geluk gehad met zijn ontsnapping. Na de oorlog werd een commissie onder leiding van generaal Bierbuyck belast met het bepalen van de vaderlandsliefde van mannen die men ervan verdacht hun wapens te gemakkelijk te hebben neergelegd. Generaal Dossin beschouwde de geïnterneerden met minachting. Bij hun terugkeer werden ze uitgejouwd als ‘keeskoppen’ en "verraders". Het duurde meer dan 15 jaar voor die frontstrepen werden toegekend. In 1936 nog moet de socialistische volksvertegenwoordiger August De Block, zelf geïnterneerd, pleiten 1936 voor een amnestie 'zelfs als sommigen het niet verdienen'. En het is nog niet gedaan: in 2014 stelt voormalig minister van landsverdediging Peter De Crem een commissie van historici aan om te onderzoeken of die 32.000 Belgische soldaten gevangenis onrechtvaardig werden behandeld door de militaire autoriteiten bij hun terugkeer naar België. Dit initiatief is het gevolg van een resolutie van vier Vlaamse parlementariërs (Patrick De Groote, Huub Broers, Karl Vanlouwe en Lieve Maes) in de Senaat.
Er waren natuurlijk ook een miljoen burgervluchtelingen.
http://www.wereldoorlog1418.nl/herinneringen-vluchtelingen/ Bij Amersfoort, in Ede, waren de vluchtoorden Ede en Nunspeet. Op initiatief van het Comité Belgen Ede is in 1984 een monumentje opgericht. 6000 Belgen werden hier op de Edese Heide opgevangen in houten barakken. Vluchtoord Ede is in 1918 gesloopt. De materialen zijn gebruikt voor heropbouw in België. Dit waren de Baraques Albert. Daarvan staan er nog een kleine honderd in Herstal. Zie mijn blog blog http://hachhachhh.blogspot.be/2014/10/balade-sante-de-mplp-les-baraques.html
Wij waren in de zomer 1917 in Harderwijk. Maar het Belgenmonument hebben wij niet gezien door het slechte weer. En dat monumentje op de Edese heide is de omweg niet waard..

Biblio

https://biblio.ugent.be/publication/323824    Frank Caestecker UGent, Wie was nu de vijand ? De constructie van de "Duitser" bij het aflijnen van ongewenste vreemdelingen (1918-1919) in Une guerre totale? : la Belgique dans la première guerre mondiale : nouvelles tendances de la recherche historique, - pp. 519-532, Serge Jaumain, Michaël Amara, Benoit Majerus and Antoon Vrints, Colloque international ISBN    2-00-144802-3
http://www.hertogen.be/voorouders/Materiaal/Koethen/2014GErmansinBelgiumCaestecker%20&%20Vrints.pdf he national mobilization of German immigrants and their descendants in Belgium, 1870-1920 Frank Caestecker UGent and Antoon Vrints UGent (2014) Germans as minorities during the first world war : a gobal comparative perspective. p.123-146
 download full text UGent only | PDF | 392.32 KB  http://hdl.handle.net/1854/LU-5639212
http://www.blog.seniorennet.be/fruit/archief.php?startaantal=20&startdatum=1245016800 Ruben Donvil ‘De Grote Oorlog op Kleine Schaal. De gevechten aan de Getelinie in Oost-Brabant (1914) van Davidsfonds 2012).

mardi 8 août 2017

Mijn manier om de charmes van Luik te tonen



photo P. Brunain

Op15 augustus leid ik een city-safari voor 63 Gentenaars van de stadsdiensten van Gent. Ze komen rond 15 uur toe in de Guillemins en ik moet hen rond 16h30 loslaten in Outremeuse. Op 15 augustus zakken 200.000 bezoekers af naar de feesten zonder naam : ‘on fête  le 15 août’. Dit is vooral een reuze paseo: een glas drinken onder vrienden. Met mate, zoals onze brouwers benadrukken in hun pub.
Ik heb hen verwittigd : hun ‘Gentse Feesten’ zijn grote cultuur vergeleken met onze 15 août. En onze 15 oogst, dat zijn ook een beetje de kaloten. Maria-Tenhemelopneming, Maria-Hemelvaart, Onze-Lieve-Vrouw-Hemelvaart, de ontslaping/ontslapenis van Maria of halfoogst viert het feit (fact-checking!) dat Maria met lichaam en ziel door God in de hemel werd opgenomen. Deze gebeurtenis staat niet letterlijk beschreven in de Bijbel, maar het is wel één van de dogma’s. Wie daar niet mee akkoord is mag het afstappen…
Ik heb al geprobeerd ‘Saint Napoléon’ in Outremeuse te verkopen die ook gevierd wordt op15 augustus, maar dat pakt niet.
Ik heb een kostuum op maat gesneden van mijn Gentenaars: een Nederlandse versie van mijn blog http://hachhachhh.blogspot.be/2017/07/ma-maniere-de-montrer-les-delices-de.html
De zonnekoning Lodewijk XIV schreef een boekje: ‘Mijn manier om Versailles te tonen’. Ziehier mijn manier om Luik te tonen, van de Guillemins tot Outremeuse.

Luik is de vurige stede. Gent, dat zijn de Stroppen of de stroppendragers.

Rodin had zijn Burgers van Calais de burgers van Gent kunnen noemen. In 1540 veroordeelde keizer Karel V de notabelen van Gent om hem vergiffenis te komen vragen voor de Gentse revolte van 1540 met een strop om de hals. Hij liet 25 mensen ombrengen. De strop is blijven leven als het symbool van fiere weerstand tegen elke vorm van tirannie. Tijdens de Gentse Feesten ziet men vele Gentenaars met een zwart-witte strop rond hun hals.
De Gentenaars stichtten tijdens het bewind van zijn zoon, Filips II, een calvinistische republiek.
Luik is gekend als de ‘Vurige stede’, iets wat men associeert met de supporters van de Standard, maar eigenlijk de titel is van een historische roman uit 1905 van graaf Henry Carton de Wiart. Louis de Bourbon was bisschop van Luik geworden in 1456. Gedurende tien jaar zullen knuppelslagers en
metgezellen van de groene tent hem het leven moeilijk maken vanuit Wellen  en Sint Truiden. De volksmenner Raes de la Rivière de Heers verklaart in 1464 de eigendommen van de bisschop verbeurd. Louis de Bourbon vraagt hulp aan het hof van Bourgondië. In 1467 verzamelt Karel de Stoute een leger van 30.000 man dat de rebellen verpletterde in Brusthem. In 1468 stak Karel de stad Luik in brand  (zie Luikse Oorlogen https://nl.wikipedia.org/wiki/Luiks-Bourgondische_Oorlogen of mijn blog (in het frans)
http://expositions.bnf.fr/flamands/arret_nl/02_2.htm Vijftien jaar ervoor, in 1452, was Gent in opstand gekomen tegen zijn vader, Filip 'de Goede'. Gent werd op 23 juli 1453 in de slag bij Gavere verpletterd: de stad moest een zware boete betalen en verloor een groot deel van zijn privileges. Toen Karel de Stoute in 1467 aantrad braken er in Gent incidenten uit en de nieuwe hertog kon de situatie slechts redden door aan de opstandelingen het herstel van de in 1453 verloren privileges toe te kennen. Maar van zodra de krachtsverhoudingen hem gunstiger waren kwam hij op deze toegeving terug. In 1469 moest de stad Gent hun vorst om vergiffenis te vragen
De tijd van weerwraak voor Gent en Luik kwam na de dood van de Stoute bij Nancy. Maria van Bourgondië, zijn enige erfgename, moest zware toegevingen doen aan de steden en Luik kreeg zelfs zijn Perron terug.

Anseele als eerste Vlaamse socialistische parlementslid verkozen te Luik.

Het is dan ook geen toeval dat 500 jaar later, bij de eerste verkiezingen met het algemeen meervoudig stemrecht in 1894, de Gentenaar Anseele als eerste Vlaamse socialistische parlementslid werd verkozen in Luik. Toen in 1885 in de Borinage een staking uitbrak, had Anseele broden gestuurd naar de stakers.
Toen in 2014 Raoul Hedebouw en Marco Van Hees verkozen werden in de Kamer herinnerdePeter Mertens eraan dat 120 jaar geleden Anseele uit Gent verkozen werd inLuik. “Toen deed niemand heikneuterig over het feit dat hij in Luik was verkozen, Anseele sprak niet één van de twee landstalen, hij sprak de taal van de werkende klasse, die toen nog primeerde op alle nationalistische gevoelens. Ook Raoul en Marco Hees zullen zich niet beperken tot het Franstalige landsgedeelte, ze zullen de stem vertolken van de werkende klasse”.
Anseele zal de taal van de werkende klasse wel verliezen met ouder worden. “Vader” Anseele was de perfecte uiting van het “patriarchaal” socialisme. In zijn “Werklieden bemint uw profijt!” Werklieden bemint uw profijt. De Belgische sociaaldemocratie in Europa   onderzocht Defoort in 2006 het Gentse model van Anseele: “de kapitalisten met eigen middelen bestrijden”.

Ma « Manière de montrer les délices de Liège »

Louis XIV was heel directief in zijn « Manière de montrer les jardins de Versailles ». Een klein uittreksel (in het frans) om dit te illustreren: 
 « 1° En sortant du château par le vestibule de la cour de Marbre, on ira sur la terrasse ; il faut
s’arrêter  sur  le  haut  des  degrés  pour  considérer  la   situation  des  parterres  des  pièces  d’eau  et  les   fontaines des Cabinets.
2° Il faut ensuite aller droit sur le haut de Latone et faire une pause pour considérer Latone, les lézards,  les  rampes,  les  statues,  l’allée  royale,  l’Apollon,  le  canal,  et  puis  se  tourner  pour  voir  le  parterre et le château. 
  Il  faut  après  tourner  à  gauche  pour  aller  passer  entre  les  Sphinx  ;  en  marchant  il  faut  faire  une pause devant le Cabinet pour considérer la gerbe  et la nappe ».
Hier is mijn manier om de charmes van Luik te tonen. Die charmes verwijzen naar « Les Délices du Païs de Liège » is de titel van een boek met gravures van Remacle le Loup, uitgegeven in 1738 door Everard Kints die een voorloper was van de city-merchandising. Iedere kasteeleigenaar moest 4 pistolen betalen om erin te komen en als ze hun blazoen erbij wilden nog eens twee écus. De Spaanse goudmunt was buiten Spanje ook bekend onder de naam pistool (Pistole).

Les Guillemins : een kunstwerk, geen station !

Men begint bij het Guilleminsstation dat bijna  "Liège-Limburg" noemde, een suggestie van wijlen Steve Stevaert en de Waalse minister van Economie, Jean-Claude Marcourt. Dit is geen station, maar een kunstwerk! Calatrava zegt het zelf: "Als men in het station staat bekijkt men niet meer de vorm maar is men in de ruimte, is men het kunstwerk binnengedrongen." De BBC sprak – terecht – over de Guillemins als “his latest sculpture”. De artiest Calatrava te vragen om een bouwwerk te realiseren is gegarandeerd om moeilijkheden vragen! Zie hiervoor mijn blog
photo P. Brunain
De toparchitect Calatrava procedeerde jarenlang tegen het architectenbureau Jaspers-Eyes dat zijn (mooi) gebouw voor het Calatrava-kunstwerk heeft neergepoot, tot groot verdriet van de kunstenaar Fedimmo breit daar nog een «Paradis Express» aan. In 2016 verwerpt de Staatsraad het beroep van de NMBS (lees: Calatrava) tegen Fedimmo….
Een derde eend in de bijt is de Circusgroep die geduldig alle gebouwen die in de buurt te koop kwamen heeft opgekocht.
De toren van Rosen rechts van ons staat er nog omdat hij in 1959 geklasseerd is, maar het huis Rigo op het einde van de esplanade in wording staat er nog omdat er een actiecomité vraagt om het te behouden. De vurige stede is nooit ver weg. Kan men een mooiere architecturale dialoog hebben dan dit station, de toren van Fedimmo en het huis Rigo ?

La Belle Liégeoise op de nieuwe as van het station naar een winkelcentrum


Men moet vanuit het station over de door Calatrava ontworpen esplanade naar de ‘Belle liégeoise gaan. Het ingenieursbureau Greisch dat deze voetgangersbrug bouwde heeft ook de berekeningen van Calatrava overgedaan. De stalen structuur van het station moest 30% verzwaard worden. Greisch is een topper op wereldvlak. De viaduct van Millau is Greisch. De brug van Wandre gebouwd in 1987 werd zes jaar later al geklasseerd als historisch patrimonium.
Luik heeft de kaaien voor de Guillemins helemaal opnieuw aangelegd, en geprobeerd die verkeersluw te maken.
 ‘La Belle Liégeoise’ verwijst naar Théroigne de Méricourt, die een rol(letje) speelde in de Franse revolutie. Baudelaire schreef in zijn Fleurs du Mal : « Avez-vous vu Théroigne, amante du carnage, / Excitant à l’assaut un peuple sans souliers, / La joue et l’œil en feu, jouant son personnage, / Et montant, sabre au poing, les royaux escaliers ? » Bert Decorte vertaalde Les Fleurs du mal in 1946 onder de titel ‘De bloemen van den booze’.
Men gaat niet tot het winkelcentrum Mediacité. De stad wil in het kader van de stadvernieuwing een nieuwe as creëren die van het station naar dat winkelcentrum. Het nieuw museum is in feite vooral een publiektrekker. Laten wij dat winkelcentrum voor wat het is. Voor de opening van Primark in Hasselt hoorde men in de Primark van de Mediacité veel Limburgs….

Een nieuw museum

Daarna moet men rond het nieuw museum van de Boverie gaan. De architect Rudy Ricciotti duwde zijn glasbak in een gebouw van de wereldtentoonstelling van 1905. Onmogelijk om een schilderij op te hangen op die grote glaspartijen. Dit project van 27,6 miljoen heeft tot nu toe enkel gediend voor de vernissages. De architect zegt dat het gebouwd is voor beeldhouwwerken. Voor Ricciotti moest men het “tussen twee expos leeg laten om er een feestje te kunnen bouwen”. Zelfs tijdens de tentoonstellingen staat het leeg …

Een standbeeld van Jef Lambeaux

Men moet dan rond het museum gaan en in de rozentuin het standeeld van Jef Lambeaux bekijken.
 ‘Le faune mordu’ had in 1903 in het driejaarlijks Salon van Brussel gestaan, in de internationale kunsttentoonstelling van de Düsseldorf en was gemedailleerd op de wereldtentoonstelling van Saint-Louis. In 1905 wilde de wereldtentoonstelling van Luik die in de Boverie hebben, maat het katoliek dagblad "La Gazette de Liège" kwam daar tegen op en het beeld werd afgevoerd. Een gemeenteraadslid stelde voor het werk te kopen om dit affront aan de beeldhouwer te herstellen en het beeld komt in het Musée des Beaux-Arts terecht. Het is pas in de jaren 50 dat het in de Boverie zijn plaats vond.
Lambeaux  maakte ook de Brabo in Antwerpen en het paviljoen van de menselijke driften in een gebouw van Horta in het Jubelpark. Het paviljoen is nog altijd gesloten voor het publiek. In Sint Gillis bleef zijn "Godin van de Bocq " in de kelders staan tot in 1976 (llb 29 novembre 2008).

De Mativa-brug en de wereldtentoonstelling van 1905

Aan de andere kant van het Boverieeilandje een andere voetgangersbrug die 100 jaar geleden revolutionair was in het gebruik van gewapend beton. De Mativabrug is gebouwd voor de wereldtentoonstelling van 1905 en is ook geklasseerd. De Amerikanen installeerden in 1945 een reparatiewerkplaats voor hun tanks op de Boverie. Dat brugje heeft dat overleefd. Gelukkig dat de Shermantanks lichtgewichten waren… De twee stalen bruggen van Fragnée en Fetinne dateren ook van 1905.

De cybernetische toren van Schöffer

Men keert op zijn stappen terug en stopt voor de toren van Schöffer. In de jaren vijftig was cybernetica een modewoord, zoals vandaag digitaal. De Frans-hongaarse kunstenaar Nicolas Schöffer surfte op die hype met zijn 'cybernétique autonome' (CYST 1) op het dak van de cité radieuse van Le Corbusier in 1956. Die kerel bruiste van ideeën, met o.a. voor mij persoonlijk zijn top: zijn Percussonor, een sculptuur om op te kloppen en te schoppen en zo geweld in schoonheid om te
zetten, «sculptures à taper dessus pour transformer la violence en beauté ».
Hij is naar Luiks model in 1963 een versie van 360 meter begonnen op la Défense in Paris. De dood van zijn sponsor Pompidou maakte daar een einde aan maar Paris Match zette het project in 1970 nog op de voorpagina van een themanummer « Paris dans 20 ans ».
In 1961 kocht Luik zijn 'tour cybernétique', een kunstwerk van 52 meter hoog. Het maakte lawijt, er bewoog van alles en er floepten lichten uit en aan, dit alles in interactie met de temperatuur, de wind en stadsgeluiden. De kunstenaar had zelfs een « moteur d’indifférence » voorzien die willekeurig tussenkwam om alle monotonie te verbreken. Tien jaar later viel het ding stil. Eigenaardig genoeg heeft een collectief veertig jaar lang geijverd om dat kunstwerk te restaureren en ik denk zelfs dat zij het grootste deel van de kosten op zich hebben genomen. Het architectenbureau Philippe Greisch stond in voor de restauratie, met nieuwe mobiele panelen uit roestvrij staal, nieuwe verlichting, LED, nieuwe elektronakoestische apparatuur, digitale snufjes enzovoort.

De Aarde en Het Water: een beeldhouwer uit de school van Sint Idesbald

Men volgt de Ravel, Réseau Autonome des Voies Lentes , langs het congressenpaleis, naar de brug Albert I. Die werd in 1964 ingehuldigd in aanwezigheid van George Grard die de twee beelden maakte aan de rechtervoet van de brug: De Aarde en Het Water. Dezelfde Grard maakte ook De Lente voor het Middelheim Museum, een Zittende Vrouw bij de de Nationale Bank in de, Berlaimontlaan te Brussel; en De Zee bij het casino te Oostende. Zijn Grote Afrikaanse stond op de Wereldexpo van 1958.

Een lange zwangerschap voor het monument van Pierre Caille

Aan de overkant van de brug stopt men voor een beeld van Pierre Caille, uit dezelfde school van Sint Idesbald, "Liège à ses enfants morts pour elle". Op zijn nogal abstract monument staan negen datums, hoogtepunten uit de Luikse geschiedenis, met onder andere de slag bij Vottem in 1346 (de Luikse Guldensporenslag); de nederlaag van de Hedroits in Othée in 1408 en de Luikse revolutie van 1789. Ik schreef over elk van die revoltes een blog (in het Frans).
 Men toont links, op de heuvel van Cointe boven de Guillemins, het ‘Monument interallié’, van Albert I. http://hachhachhh.blogspot.be/2015/04/le-memorial-interallie-de-cointe.html
De stad Luik weigerde mee te werken aan dit project van Koning Albert, die na de eerste wereldoorlog het idee van het Belgisch martelaarschap wilde hoog houden. Luik wilde een belfort en ‘hommage aux Liégeois combattant depuis dix siècles pour la liberté’. Dit belfort kwam er niet en uiteindelijk besloot men na een tweede wereldoorlog het geld te besteden aan dit monument op de brug die naar Albert genoemd werd. Het is dus niet alleen een neus naar de Mémorial interallié, maar ook aan Albert die onderaan de brug staat, op een ongezadeld paard.

Een beeldenpark

Men trekt de aandacht op ‘L'Arbre et son ombre’ van Daniel Dutrieux (1991) Die bomen zijn uitgekozen voor kleur en vorm. De plaveien gaven op het middaguur van de zonnewende in het jaar 2000, tien jaar na te zijn geplant, de schaduw van de bomen weer, en kunnen in braille ook weer als ‘schaduw’ gelezen worden. Dutrieux gebruikte meermaals braille, om onze collectieve blindheid aan te klagen tegenover het klimaat.

Het enige nationaal monument aan de weerstand

Wij zijn nog niet rond met ons beeldenpark. Voor ons ‘les Terrasses d’Avroy’. De vier beeldengroepen tonen hoe de mens het dier onderwerpt: naast Li Toré hebben wij « Bœuf au repos » (1885) van Léon Mignon, « Cheval dompté » (1884) van Alphonse de Tombay, « Cheval de halage » (1885) van Jules Halkin.
In het park d’Avroy het enige  nationaal monument voor de Weerstand 1940-1945, van de beeldhouwer Louis Dupont, die ook de beelden van de pont des arches kapte. De linkergroep is de gewapende weerstand, en de rechter de intellectuele. Dupont wist waarover het ging: in 1941 werd hij met zijn broer Georges door de Duitsers aangehouden en in de Citadel van Hoei opgesloten.
Wij volgen de rechteroever van de Maas, die aan de voetgangers is teruggegeven.

Een neogotisch postgebouw

Men stopt aan de voet van de Passerelle. Voor ons Hôtel des Postes waarvoor men in 1890 een hele wijk platsmeet. Edmond Jamar gebruikte voor dit neogotisch gebouw moderne technieken, beton en een stalen structuur. In de nissen staan de verschillende ambachten. De neogotiek was politiek zwaar beladen met nostalgie naar een maatschappij waarin meesters en gezellen zonder klassenstrijd in gilden georganiseerd waren. In de periode van absolute katholieke meerderheid (voor het algemeen stemrecht, van 1884 tot 1918) hebben de ‘kaloten’ overal neogotische kerken gebouwd maar ook publieke gebouwen zoals het Provinciaal paleis dat wij verder zullen zien, of deze Grande Poste. Het gebouw is geklasseerd; er zijn al minstens vijf projecten gelanceerd die allemaal een parking vroegen onder de place Cockerill. Een actiegroep Place Cockerill heeft die kunnen blokkeren: het is niet logisch om op die manier auto’s tot in de stadskern aan te trekken.

Rue de la Régence : La Wallonie

In de Rue de la Régence koopt het dagblad La Wallonie in 1922 een gebouw dat zij laten verbouwen door de architect Jean Moutschen.  Het blad La Wallonie was al het officieel orgaan geweest van de Luikse Werkliedenpartij POB van 1903 tot 1906. In 1919 was het Brussels dagblad Le Peuple een Luikse antenne begonnen, die in 1920 herdoopt wordt in ‘La Wallonie Socialiste’. De Luikse Métallos krijgen automatich een abonnement blad waardoor de oplage stijgt van 28 000 tot 50 000 exemplaren.

La Passerelle

De voetgangersbrug dateert van 1880 en noemt officieel « passerelle de la Régence », zoals de straat waarvan zij in het verlengde ligt. De mensen van ’au-delà’ spreken van de « passerelle Saucy», en refereren daarbij naar de boulevard waarop zij uitgeeft in Outremeuse. Wij worden verwacht in de stand van de toneelgroep  le Grandgousier, in de lokalen van het atheneum Maurice Destenay dat in de volksmond Saucy heet.
Wij zullen waarschijnlijk niet meer de tijd hebben om een lus te maken tot aan de Place Saint Paul.

Place Saint Paul: het FGTB en de Sint Pauluskatedraal

In 1948 kopen de Luikse Métallos FGTB daar een herenhuis.Tijdens de Koningskwestie ging daar een vergadering door van het stakingscomité, met syndicalisten zoals André Renard, Robert Lambion, Robert Gillon, en liberalen en communisten. Zij overwogen er een afscheiding van Wallonië. In 1975 bouwt de Regionale FGTB er zijn nieuw gebouw, toneel van vele concentraties.
Rechtover Saint-Paul, ooit een van de acht kapitelkerken, nu kathedraal. De crypte dateert van 966. In de XIIIe eeuw begint men de bouw van het schip. Dat zal drie eeuwen duren.
Deze gravure van Remacle Le Loup toont de kapittelkerk rond 1730, met een stompe, lage toren. Na de revoluties van 1789 wordt het kapittel ontbonden. Na het concordaat van 1801 kiest de nieuwe bisschop Saint-Paul als kathedraal, aangezien de vroegere, Saint Lambert, letterlijk was gedemonteerd als symbool van de tirannie. Napoleon vond die afbraak gauchistisch en in 1811 bouwde men op de stompe toren van Sint Paulus iets wat op de grote toren van Sint Lambertus leek. De stenen kwamen van de ruines van de vroegere kathedraal. Nostalgie …

De Verlichting en de Société Libre d’Émulation

In de rue Soeurs de Hasque kan men binnenspringen in de kroeg ‘Pot au lait’.
Men gaat Place du XX Août even het gebouw van de Société Libre d’Emulation binnen waar nu het Théâtre de Liège huist. De Emulation gaat terug tot 1779 en is gesticht door de verlichte prins-bisschop François-Charles de Velbrück. Op 19 augustus 1789 presenteren de 600 leden van de Vereniging hun eerbetoon aan de revolutionaire burgemeesters die zijn opvolger Constantin François de Hoensbroeck hadden verjaagd. Die schrijft in 1792, na zijn restauratie, in een Mandement dat de Emulation een vereniging van rebellen was geworden die zich er openlijk op toelegde opstandige principes te verspreiden («une société d'insubordination, généralement et publiquement vouée, pendant les troubles passés, aux principes de sédition qui les ont fait naître»).
Op XX augustus 1914 gaat het gebouw in de vlammen op, vandaar de naam van de plaats. In 1930 bouwt de stad er een neoklassiek gebouw dat eigenlijk nooit een definitieve invulling krijgt. In 1960 gebruikt de Universiteit de grote zaal als aula. Van 1985 à 2004 werd die gebruikt door het Conservatorium.
De beeldhouwer Louis-Eugène Simonis beitelt in 1866 André Dumont, die met zijn rechterhand de geologische rijkdommen van Limburg toont. Aan zijn voet een mijnlamp. André Dumont had in 1877 een brochure uitgegeven over de boringen in Nederlands-Limburg waar steenkool was ontdekt. Dumont was ervan overtuigd dat het steenkoolbekken zich verder noordwestwaarts uitstrekte. Dumont werkte samen met zekere Anton Raky (van het latere Foraky) die een revolutionaire methode ontwikkeld had met boorkoppen in diamant. In 1901 vond hij in As de eerste Limburgse steenkool op 541 m diepte. In de streek van As en Genk zijn vele ziekenhuizen, scholen enz. naar Dumont genoemd.

1983 : het gemeentepersoneel op la « dalle »


Er is spijtig genoeg geen tijd om tot aan de ‘îlot Saint Georges’ te gaan die in 1983 gedurende drie maand het zwaartepunt was van de mobilisatie van het stadspersoneel.  Luik was in 83 virtueel failliet. Het ECOLO RPSW (socialisten et progressieve walen) gemeentebestuur legt een drastisch besparingsplan op : in 1981 had Luik 7914 personeelsleden; daarvan blijven er in 2008 3043 over, waarvan 44% statutairen (84% in 1981).

Mijn blogs over wandelingen in Luik

http://huberthedebouw.blogspot.be/2016/12/wandeling-door-de-vurige-stede-luik-van.html

in het Frans
http://hachhachhh.blogspot.be/2017/03/saint-leonard-une-balade-sur-le-theme.html
http://hachhachhh.blogspot.be/2017/01/balade-de-la-boverie-la-place-saint.html
http://hachhachhh.blogspot.be/2017/01/balade-cite-ardente-des-guillemins-la.html
http://hachhachhh.blogspot.be/2014/03/balade-liege-des-revoltes-les-braises.html
http://hachhachhh.blogspot.be/2014/03/sur-lesplanade-saint-leonard-grave-dans.html